Inge Heslinga

Lopen van gedicht naar gedicht

logo.ensafh

Van het Leeuwarder Centraal Station via de Tweebaksmarkt naar het Hoeksterend en vervolgens kriskras door het centrum om uiteindelijk via de Zuidersingel weer bij het station uit te komen. In de onlangs verschenen bundel Poëtisch Leeuwarden: een wandeling in gedichten is een stadswandeling uitgestippeld, die de lezer meeneemt op een poëtische ontdekkingsreis langs bijzondere gebouwen, kunstwerken en straten in de Friese hoofdstad.
 

In de dichtbundelreeks Poëtisch Groningen, Poëtisch Amsterdam, Poëtisch Utrecht en Poëtisch Rotterdam is er nu ook een Leeuwarder editie. Arjan Hut, in zijn hoedanigheid als stadsdichter, heeft voor dit project bekende en minder bekende Friese dichters gevraagd om een gedicht te maken over een voor hun speciale plek, in of nabij het centrum van Leeuwarden. Dit verzoek resulteerde in dertig nieuwe stadsgedichten. Zestien van die gedichten zijn geschreven in het Fries, twaalf gedichten zijn Nederlandstalig, één is in het Liwwadders en een ander in het Snekers. Aan de hand van deze gedichten is een interessante, poëtische wandelroute uitgezet.

De bundel Poëtisch Leeuwarden is een zeer fraai ogend geheel geworden. Op zowel de voor- als de achterflap staat een plattegrond van het Leeuwarder stadshart, waarin de poëzieroute duidelijk is aangegeven. De gedichten die in het Fries of het Stadfries zijn geschreven, zijn door de auteurs zelf voorzien van een Nederlandse vertaling. Bovendien zijn alle gedichten geïllustreerd met prachtige zwart-wit foto’s van de Groninger fotograaf Jean Paul Yska. Arjan Hut stelde de bundel samen en is eveneens verantwoordelijk voor de inleiding en de verbindende teksten.

Helemaal uniek voor Leeuwarden is deze poëtische stadswandeling niet. Er bestaat al een poëzieroute door het centrum, namelijk eentje die de liefhebber langs de grote zwarte poëzietableaus leidt die op meer dan 35 plaatsen in de straten verankerd liggen. De twee wandelroutes kunnen overigens prima naast elkaar bestaan. De Stichting Poëzietableaus richt zich met haar wandelroute meer op het besef van poëzie in het algemeen, terwijl de schrijvers in de dichtbundel Poëtisch Leeuwarden vooral een ander beeld van de stad lijken te willen creëren.
 

De meerderheid van de gedichten in Poëtisch Leeuwarden laat zich inhoudelijk kenmerken door een hang naar het verleden. Het is de heimwee naar een lang vervlogen Leeuwarden die de basis van deze gedichten vormt. Een Leeuwarden zoals de dichter die gekend heeft of zoals hij die kent van oude vergeelde foto’s. In het gedicht ‘Tweebaksmarkt’ mijmert Bert Kobus over de veranderingen in het straatbeeld sinds de demping van de oude stadsgracht en Piet Kok stelt zich in zijn Stadfriese gedicht ‘Bollemanssteech’ vooral de grote groepen feestgangers voor die in polonaise door zijn kleine straatje gaan.

Lida Dijkstra en Albertina Soepboer zijn het verleden ingedoken om zich een voorstelling te kunnen maken van de ellende en de armoede die ook deel uitmaken van een stedelijk verleden. Soepboer poogt in haar sonnet ‘It hûs fan earmoed’ een voorstelling te maken van de situatie in de Haniahof toen het gebouw dienst deed als armenhuis. In ‘Natoermuseum’ laat Dijkstra op haar beurt zien dat het onmogelijk is om het verleden van een gebouw uit te wissen door enkel het interieur te veranderen.

Gelukkig zijn er in de bundel ook enkele gedichten opgenomen die een grote glimlach teweeg kunnen brengen op het gezicht van de lezer. Zo dicht Janneke Spoelstra in ‘Skriuw ik my deryn’ over het verlangen om te leven als een provenier, met een eigen kamertje in het pittoreske Sint Anthony Gasthús. Rienk Kruiderink laat in ‘Boom’ de lezer kennismaken met het wel en wee van de boom op het schoolplein aan de Sint Anthonystraat, die “wacht op de schone Anthonie / die hier in de avond / zijn gulpknoopjes losmaakt.”

Veel humor zit ook in de bijdrage van Kees ’t Hart. Zijn ‘Kleine Hoogstraat’ spreekt een ieder aan die met volle teugen van het nachtleven in een stad kan genieten of die gewoon graag een paar pilsjes pakt aan het Gouverneursplein. Een semi-onverschillig lyrisch subject geeft in zeven strofen een verslag van het zware studentenleven in een studentenhuis aan de Kleine Hoogstraat:

(…)
En vaak voetstappen ’s nachts en liederlijk geschreeuw
Godverdomme, hier kun je niet gaan staan kotsen
Wat nou boerenlul, waarom dan niet
Wij wisten het ook niet.

En dan die vogels ’s ochtends vroeg om een uur of zes
Allemaal tegelijk aan het kwetteren en kraaien
Hou je bek stelletje rukkers
We kunnen niet slapen.

Van de Ier naar huis was een meter of vijftien
Dat brachten we nog wel op meestal was het zwaar
Toch even onderweg pissen hier kan het wel
Veel maakte het niet uit.

(uit: ‘Kleine Hoogstraat’ – Kees ’t Hart)

Twee andere gedichten die net als het gedicht van ’t Hart gaan over seks, drank en rock-’n-roll, zijn die van Josse de Haan en Remco Kuiper. In De Haans ‘Filmreuny’ denkt de ik-persoon weemoedig terug aan die keer dat hij en zijn liefje keken naar Bill Haley and the Comets in de jaren vijftig filmklassieker ‘Rock around the clock’, maar vooral denkt hij aan hun romantische wandeling in de Prinsentuin, na afloop van de film.

Remco Kuiper heeft zich laten inspireren door het keldercafé Coltrane aan de Eewal. Dat ook de muziek van John Coltrane en Miles Davis van invloed waren bij het schrijven van dit lange gedicht, blijkt uit het feit dat hij enkele titels van elpees van Coltrane en Davis in zijn versregels heeft verwerkt. Ook geeft hij tweemaal een visuele voorstelling van hetgeen hij beschrijft, door de versregel(s) op een typografische andere manier te ordenen:

(…)
Fiif toanen fan trompet foar tsienen,
            de djipgiele tagongstrep is krap
kwik

            sakket
                        by
                                    eltse
                                                stap

Ut de kelders fan Coltrane klimt cool jazz.
(…)
Coltrane spint fiene triedden úy syn saksofoan,
asto my fêstpakst, meitroanst nei de doar en
de kelders sûnder wurden dei swaaist,

wy                   mei                  giant                steps
de smelle trep oprinne, as soe
blauwe reek foar ivich bliuwe

op it plein, ûnder de beammen.
(…)

(uit: ‘Coltrane’s Kafee’ – Remco Kuiper)

Een bijdrage die niet onvermeld mag blijven in dit kader is ‘Saailân Rock’ van Nyk de Vries, misschien wel een heuse ‘Spleen de Leeuwarden’ volgens het recept van de negentiende-eeuwse Franse schrijver Baudelaire. In deze korte prozaïsche bijdrage beschrijft de ikpersoon een ontmoeting met zijn salsalerares voor het gerechtsgebouw op het Zaailand. Na een innige omhelzing zegt de dame, met haar ogen vol tranen, de nu al legendarische woorden “Dy Beatles ferpeste gewoan myn hiele libben”. Deze uitspraak is inhoudelijk van een onvoorstelbare absurditeit, maar vooral de humor die gepaard gaat met het absurde zorgt ervoor dat de zin langer in het hoofd van de lezer blijft hangen.

Onvermijdelijk bij poëzie met als thema ‘de stad’, zijn de lofzangen op de meest opvallende gebouwen van de betreffende stad. Else Feikje van der Berg laat de lezer kennismaken met een geluksgevoel bij de aanblik van de horizonbepalende Achmea-toren, vanwege de associatie met een veilige thuishaven. Arjan Hut laat zijn gedachten bij de Centraal Apotheek aan de Voorstreek leiden door de schone Griekse godin Hygieia, die afgebeeld staat op de gele Jugendstilgevel van het gebouw.

Grytsje Schaaf heeft een gedicht geschreven over de voormalige antiekzaak Beling aan de noordzijde van de Nieuwestad, waar tegenwoordig restaurant Humphrey’s is gevestigd. Haar gedicht ontstijgt het niveau van vele andere gedichten in de bundel, vooral doordat zij een geslaagde personificatie van het oude pand weet te combineren met de levendigheid van het stedelijke nachtleven.

Stek my in folslein dekor,
Yn de rook fan houten balken
En lit my hjir, myn labyrint

Fier ferlerne jierren op,
Yn myn djipst ferburgen keamers
Húzje stil de eagen fan porselein,
De earen fan sulver en bloedkraal

Wryt my iepen foar befrijde geasten:
Lit se dûnsje op ‘e treppen
Lit se priuwe fan geheimenissen
Lit se tiizje yn karmozinen skiednissen
 
 

Ferlit my dan wer
Foar de laits boppe de leechte fan dingen,
Skatten op de boppeste planke
Fan myn bûnzjend hert

Hear de wurden yn myn boppekeamer
De kreakjende plankeflier en
De suchten yn it djipste fan de nacht
Ferstomje de teltsjes yn myn ûnderbúk

Strûp behang fan behang
Fan behang fan behang en
Doch my wer oer

(‘Beling’ – Grytsje Schaaf)

Enkele kleine schoonheidsfoutjes zijn de bundel Poëtisch Leeuwarden helaas niet bespaard gebleven. De interpunctie tussen de originele gedichten en de vertalingen komt niet altijd overeen en ook heeft men verzuimd om het gedicht van Coen Peppelenbos in de inhoudsopgave te vermelden. Maar laat dit de pret vooral niet bederven. Wat is er nu mooier dan op een zonnige (winter)middag door poëzie meegevoerd te worden naar de mooiste plekken van de stad? Trek de loopschoenen aan, neem de bundel mee en, zoals Hut het stelt in zijn voorwoord van Poëtisch Leeuwarden, de sokken deryn!

Arjan Hut (red.), Poëtisch Leeuwarden, een wandeling in gedichten
Groningen; Kleine Uil 2006.
Prijs: € 12,50

De bundel bevat bijdragen van Klaes, Else Feikje van der Berg, Wilco Berga, Lida Dijkstra, Remco Ekkers, Gjelt de Graaf, Josse de Haan, Kees ‘t Hart, Tsjisse Hettema, Arjan Hut, Corrie Joosten, Bert Kobus, Edward Kobus, Piet Kok, Marc R. Kooij, Rienk R. Kruiderink, Remco Kuiper, Elmar Kuiper, Aggie van der Meer, Albert Meijer, Huub Mous, Coen Peppelenbos, Grytsje Schaaf, Albertina Soepboer, Janneke Spoelstra, Hylke Tromp, Henk van der Veer, Nyk de Vries, Syds Wiersma en Donna Wouda.

Reageer op dit artikel

avatar
  Subscribe  
Abonneren op