Andries Miedema

Willem Kloos: ‘O, lichte Visioenen mijner Jeugd!’

logo.ensafh

X .

– O, lichte Visioenen mijner Jeugd!
Al, àl te dierbare herinneringen,
Toen ‘k dorst met stamelenden mond te zingen
De groote droomen mijner zienersvreugd.

Gaat heen, ‘t wordt tijd: op wilde golven dringen,
Wat géén mensch deert en niemand ook verheugt,
Grootmachtig-naakte en gruwbaar-simple dingen …
‘k Zeg thans Mij-zelven en Diens groote Deugd:

Der Smart oprijzing en der Mensch-vreugd val,
Der Wijsheid bitterst, wat elk mensch zou zwijgen,
Diep-menschelijke Waarheid, wees gegroet!

Want uit het binnenst van Mijns-Zelfs-zelf zal
Op maat van zware melodieën stijgen
De Apokalupsis van mijn donkren gloed.

Willem Kloos


 
 
X.

-O, lichte fisioenen fan myn jeugd!… Lês fierder

Andries Miedema

Willem Kloos: ‘O gij, die mij, toen alles mij verliet,’

logo.ensafh

IX.

O gij, die mij, toen alles mij verliet,
En ééne somberheid dees ziel omving,
Die langzaam stervende in haar laatst verdriet,
Tè zwak was voor de laatste worsteling; –

Uw eigen glorie om het hoofd mij hing,
En door úw ziel mij aan mijzelf verriedt,
Heerlijk mij heffend in den lichten kring
Van uwe liefde en ‘t eeuwig-lichtend lied.

Gij, die nu voortaan aan mijn zijde gaat
En als de weerschijn van mij zelf mij zijt,
Een lichtstraal voor mijn voeten waar ik viel, –

Leef in uw lichte droomen voort en laat
Den gloed dier gouden vlammen om úw ziel
Een glorie breiden tot in eeuwigheid.… Lês fierder

Andries Miedema

Willem Kloos: ‘Gij, die mij de eerste waart in ‘t ver Verleên,’

logo.ensafh

VIII.

Gij, die mij de eerste waart in ‘t ver Verleên,
Toen alles was één schoone somberheid,
Gij zult mij de allerlaatste zijn. Ik wijd
Dit stervend hart U, met mijn laatste beên.

Want àl mijn dwalingen en àl mijn strijd,
En wàt ik heb geliefd en heb geleên,
Het waren allen slechts als zooveel treên
Tot waar Gij eeuwig troont in Heerlijkheid.

Eén, één moet zijn aan Wie ik alles gaf,
En leven kan ik niet, dan als ik kniel,
‘t Zij voor Mijzelf, een Godheid of een Droom:

De Godheid stierf… Ikzelf ben als haar Graf:
Kom Gij dan, nu ik val… Ziel van mijn Ziel,
Die niets dan droom zijt… ‘k roep u aan: O, koom!… Lês fierder

Andries Miedema

Willem Kloos: ‘Ik wijd aan U dees verzen, zwaar geslagen,’

logo.ensafh

VII.

Ik wijd aan U dees verzen, zwaar geslagen,
Van Passie, en Verdoemenis, en Trots,
In doodsbleek marmer of dooraderd rots,
Al naar mijn kunstnaars-wil en welbehagen.

Zij zijn doorleefd: ‘k heb daarin neêrgedragen,
Rijkhandig, al wat, in den loop des Lots,
Aan menschenliefde of hooge Liefde Gods,
Dit doodarm Wezen heeft te voelen wagen.

Ik, die mijn Leven uit-te-zeggen zoek,
Heb al mijn lieve voelen, zoeken, tasten
En weten in dit somber boek gevat.

En ‘k bied, met dit mijn eerste en laatste boek,
Een laatsten groet aan U, die met uw vasten
Stap naast mijn àl te wankle schreden tradt.… Lês fierder

Andries Miedema

Willem Kloos: ‘Zij hoorde ‘t twisten, en den doffen smak -’

logo.ensafh

IV.

Zij hoorde ‘t twisten, en den doffen smak –
Zij kwám niet – zág niet – zag in mijmering
Altijd die eene plek, waar de appel hing,
En de appel zelven aan dienzelfden tak.

Zij dacht: ‘is ‘t ál een dróom… herinnering…?
Was ‘t mijn hand… wee mij! Góds hand, die hem brak..?
Toen trad Gods engel tot haar, kalm, en sprak:
‘De Heer zegt: ‘Vrouwe, zie uw zoon!’’ en ging.

En golvend vielen op zijn vaal gelaat
Haar lokken, toen zij viel, de goudenen,
Wijl ‘t zware hoofd aan ‘t outer bonsde, en lag…

Zij roept het lijk… roept God… die zwijgt en haat…
Zij wist niet dat de dood zóo stil was… en
Vóelt dat zij was vervlóekt; van de’ Eersten Dag…

Willem Kloos

 
 

IV.… Lês fierder

Andries Miedema

Willem Kloos: ‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,’

logo.ensafh

V.

Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
En zit in ‘t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en ’t al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

En als een heir van donkerwilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor ’t heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten.

— En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
Úw overdierb’re leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar ’k niet langer woorden vond.… Lês fierder

Andries Miedema

Willem Kloos: ‘Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht’

logo.ensafh

VI.

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
De witte bloesems in de scheemring – ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht
Als perlemoer, waar ied’re tint vervliet
In teêrheid.., Rust – o, wonder-vreemd genucht!
Want alles is bij dag zóó innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,
Verstierf – de wind, de wolken, alles gaat
Al zacht en zachter – alles wordt zoo stil…

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,
Dat al zóó moê is, altijd luider slaat,
Altijd maar luider, en niet rusten wil.… Lês fierder

Andries Miedema

Willem Kloos: ‘Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,’

logo.ensafh

II.

Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,

Zóó zag ik eens, in wonder-zoet genucht,
Uw half-verhulde beelt’nis voor mij staan, –
Dán, met een zachten glimlach en een zucht,
Voor mijn verwonderde oogen ondergaan.

Ik heb u lief, als droomen in den nacht,
Die, na een eind’loos heil van éénen stond,
Bij de eerste schemering voor immer vloôn:

Als morgen-rood en bleeke sterren-pracht,
Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,
Als alles, wat héél ver is en héél schoon.

Willem Kloos


 

II.… Lês fierder

Andries Miedema

Willem Kloos: ‘Ik droomde van een kálmen, bláuwen nacht:’

logo.ensafh

III

Ik droomde van een kálmen, bláuwen nacht:
De matte maan lag laag in mistig glimmen –
Maar hóóg scheen van de schemerende kimmen
Der klare starren wolkenlooze wacht.

Toen, tusschen maan en starren, rees Zij zacht –
Mij zoeter dan de Muze! – en scheen een schimme,
Wijl ‘k om haar hoofd als diademen klimmen
En dalen zag der sterren gouden pracht.

O liefste mijne! éer ik een gróete vond –
Ave Maria! ruischte ‘t door mijn ziele,
En heel mijn ziele ruischte u toe – éen zucht…

Totdat op eenmaal door de stille lucht
Al die millioenen gouden droppels vielen,
En ge als een heilige in die glorie stondt.… Lês fierder

Andries Miedema

Willem Kloos: ‘Ik denk altoos aan u, als aan die droomen,’

logo.ensafh

I.

Ik denk altoos aan u, als aan die droomen,
Waarin, een ganschen, langen zaalgen nacht,
Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht,
Zóó onuitspreek’lijk lief, dat bij het doomen

Des bleeken uchtends, nog de tranen stroomen
Uit halfgelokene oogen, tot we ons zacht
En zwijgend heffen met de stille klacht,
Dat schoone droomen niet weerommekomen…

Want álles ligt in eeuw’gen slaap bevangen,
In de’ eeuw’gen nacht, waarop geen morgen daagt –

En héel dit leven is een wond’re, bange,
Ontzétbre dróom, dien eens de nacht weêr vaagt –

Maar in dien droom een droom, vol licht en zangen,
Mijn droom, zoo zoet begroet, zoo zacht beklaagd…

Willem Kloos

I.… Lês fierder