
IX.
O gij, die mij, toen alles mij verliet,
En ééne somberheid dees ziel omving,
Die langzaam stervende in haar laatst verdriet,
Tè zwak was voor de laatste worsteling; –
Uw eigen glorie om het hoofd mij hing,
En door úw ziel mij aan mijzelf verriedt,
Heerlijk mij heffend in den lichten kring
Van uwe liefde en ’t eeuwig-lichtend lied.
Gij, die nu voortaan aan mijn zijde gaat
En als de weerschijn van mij zelf mij zijt,
Een lichtstraal voor mijn voeten waar ik viel, –
Leef in uw lichte droomen voort en laat
Den gloed dier gouden vlammen om úw ziel
Een glorie breiden tot in eeuwigheid.… Lês fierder